De pagina wordt geladen...

Een consument wil een Tesla huren om mee naar Duitsland te reizen. Omdat deze auto niet beschikbaar is krijgt hij een alternatieve elektrische auto mee ter vervanging, die een kleinere actieradius heeft en waarbij de laadkosten niet zijn inbegrepen. De consument doet langer over zijn reis en moet meer kosten maken. Hij wil de huur- én laadkosten terug. Is dat volgens de Geschillencommissie Voertuigverhuur terecht?
Een consument huurt een Tesla voor drie dagen. Als de huurperiode een maand later aanvangt is het betreffende type Tesla niet beschikbaar en krijgt de consument een elektrische BMW mee. De consument had bewust voor de Tesla gekozen omdat de kosten van (snel)laden inbegrepen zouden zijn en omdat de auto groot genoeg zou zijn voor vier personen inclusief bagage. Doordat geen gebruik gemaakt kon worden van de snellaadfaciliteiten van Tesla en de auto een kleinere actieradius had, moest er vaker geladen worden en kostte het laden met de vervangende auto geld. De reis duurde ruim twee keer zo lang. Ook was de bagageruimte te klein. De ondernemer ziet de BMW echter als een upgrade ten opzichte van de Tesla en biedt aan de helft van de laadkosten terug te betalen. De consument voelt zich opgelicht en wil het volledige huurbedrag én alle gemaakte oplaadkosten vergoed krijgen.
Geschillencommissie Voertuigverhuur constateert dat in de reserveringsbevestiging die de consument heeft ontvangen staat dat de overeenkomst geldt voor het betreffende type Tesla, of een vergelijkbare auto. Er is niet gebleken dat de consument bij het ophalen van de auto en het tekenen van de huurovereenkomst de BMW heeft geweigerd of heeft geprotesteerd. Voor de categorisering van auto’s hanteert de Geschillencommissie het algemeen gebruikte classificatiesysteem van de Association of Car Rental Industry Systems Standards (ACRISS). Beide auto’s vallen volgens dit systeem in dezelfde categorie. Er is volgens de commissie dus geen sprake van een upgrade. Het was de keuze van de ondernemer om een andere auto ter beschikking te stellen. Dit mag niet leiden tot extra kosten voor de consument, in dit geval voor het laden van de vervangende auto.
De Geschillencommissie Voertuigverhuur beslist dat de klacht van de consument deels gegrond is. De ondernemer moet van de commissie het gehele laadbedrag betalen, plus de helft van het door de consument betaalde klachtengeld en de helft van de behandelingskosten.
Lees hier meer uitspraken van de Geschillencommissie.